Fort Myers, 2002
Ik had de slome alto moeten afweren
toen hij op je handen knauwde, toen je
eigen vingerafdrukken terugspoog.
De vacht hangt in mijn borst. Ik probeer
hem niet te dragen. Ik probeer te vergeten
hoe gerafeld je huid smaakte.
Binnenkort bereiken we het vagevuur
vanaf vreemd linnengoed, rollen
'tot gauw' heuvelop,
onze schouders in de knoop.
Uiteindelijk verdien ik
onze namen op voicemail
groeten en adresstickers.
Ik zal je lach niet kwijtraken
als kleingeld dit keer.
Ik vind tapijten opnieuw uit tot ondiepe poelen
gemaakt uit onze kleren. Doe geen moeite
en dreg niet naar 'het rustig aan doen'.
We hebben lang genoeg gewacht om onze lichamen
te vinden.
het maakt mijn gezicht geschikt
voor het aquarium
van je handen.
Mijn handen murmelen om je haar,
je linkerwang. Ik zou
de achterkant van je hals vasthouden
terwijl ik je kantel. Ik leer het kamernummer
van buiten.
Ik ben een lappendeken van kamers
ingericht door fouten.
Ik splinter niet zoals vroeger.
Plant hier, op mijn linkerheup, onderrug,
rechter onderarm, polsen, linker
hoek van mijn oog, elke
letter van je naam. We zullen toekijken
hoe we groeien.
Ik zal een brug naar jou bouwen
van mijn fouten. Ik hoop
dat ik er eindelijk eens genoeg gemaakt heb.
We zullen ons bewapenen
met luchtgeweren, ieder rood stoplicht
kapot maken.
Ik wil de metafoor lenen
van opvouwbare kaarten om onze afstand
te dichten. Je armen
hebben meer nodig dan plagiaat.
Je zegt 'sorry' als ik je mis.
Ik moet me verontschuldigen
dat ik het moet zeggen. Eindelijk redde ik
een overhemd en poetste mijn bril.